WEEKENDPORTRET – Hubert Rubbens gaat in Oostende voor Anker

Hubert Rubbens, al twintig jaar de motor achter Oostende voor Anker en persvoorlichter van de Marine, is nu aan de beurt in onze reeks weekendportretten. In die reeks bezoekt journalist Paul Verbraeken elke week een maritieme of logistieke ‘BV’.

De boomlange, bruingebrande Hubert Rubbens is net terug van een opdracht in Benin waar onze Marine meewerkt aan de training van Afrikaanse marines in hun strijd tegen de piraterij in de Golf van Guinee. Direct lag het volgende werk al te wachten: de eindorganisatie van de twintigste editie van ‘Oostende voor Anker’, hét Oostendse maritieme visitekaartje. Hubert is daarvan al voor de 19e keer de curator. Zowel bij de Marine als bij ‘Oostende voor Anker’ zwaait eerste meester-chef (adjudant) Rubbens dit jaar af na een carrière die begon op … zijn zevende.

U leest het goed. “Al op mijn zevende stond voor mij vast dat ik bij de Marine zou gaan”, verzekert Hubert. “Ik ben op 19 maart 1964 in Oostende geboren als middelste van drie jongens. In 1971 waren er de vieringen rond 25 jaar Zeemacht. Met mijn vader ging ik vanop de Europatoren kijken naar een echt spektakel: voor Oostende lagen zo’n zestig verlichte oorlogsschepen. Ik was ook weg van de marineblauwe uniformen en die sabels. Op amper zeven jaar was mijn keuze gemaakt.”

Jeugdbeweging

Van thuis uit had Hubert geen zeemansbloed maar in Oostende ademt alles naar de zee. Vader Rubbens, een Oost-Vlaming, was er wijnhandelaar. Moeder was caféhoudster in Oostende. Vanaf zijn tiende werd Hubert door zijn tante opgevoed. “Zij was in feite mijn tweede moeder. Wij woonden in de Kapellestraat van Oostende. In het appartement boven ons woonde een kapitein-ter-zee.”

“Een figuur die een doorslaggevende rol zou spelen in mijn leven was commandant Jean-Claude Liénart, tevens voorzitter van de Zeescouts. Hij werd mijn mentor. Hij was de gewezen baas van de duikers-ontmijners. Na de oorlog had hij de ontmijning van de kust geleid.” 

“Vanaf mijn 14e werkte ik elke zomer als jobstudent in een bar. Dat ben ik blijven doen tot ik in het leger ging. Maar al tijdens mijn humaniora aan het OLV-college in Oostende was ik actief bij de Zeescouts. Die hadden hun basis in de achterhaven van Oostende op de oude scheepswerf ‘Panesi’. Daar hadden we twee oude dinghy’s, twee klinkgenagelde zeilbootjes. Ik ben dat tot mijn 28e blijven doen. Tot mijn eerste dochtertje er kwam.”

“Ik was welp, jongverkenner, verkenner. Mijn totem: Grote Bever. Bij de Zeescouts roeiden we veel en gingen we naar alle evenementen van de Marine, zoals de Vlootdagen. Tot ik in het blad Neptunus een artikel las van commandant Liénart. Die schreef dat hij aan de kust een afdeling Marinecadetten wou oprichten. Geen seconde geaarzeld: ook daar wou ik bij. Ik was zo fier als een gieter op mijn uniform en ben dat nog altijd.”

Onderofficierenschool

“Ik was gefascineerd door de Marine. Geen wonder dus dat ik mijn laatste jaar humaniora naar de onderofficierenschool van Zedelgem verkaste. Het was Liénart die me toen waarschuwde dat ik met mijn 1,98 meter te groot zou zijn voor de Marine. Hij gaf me de raad me bij het meten in het Militair Hospitaal ‘wat kleiner te maken’. Het lukte nog ook. Ik passeerde met 1,90 meter! Ik wilde varen en aan dek werken. Maar men zei me: we hebben een specialisatie voor u: met uw ‘carrure’ en uw sportiviteit ben je geknipt als marinefuselier.” 

“De zee zag ik nog lang niet. Eerst werd ik voor negen maanden naar de infanterieschool in Aarlen gestuurd voor de opleiding ‘infanterie-paracommando-MP’. Elke zondagnamiddag met de trein naar Aarlen. Daar steevast per week dertig uur sport. Sommige dagen ploeterden we twintig uur rond op het oefenterrein. Met mijn lengte kreeg ik veelal de zware mitrailleurs te dragen: de MAG of de Punt-50. Die ik dan naderhand ook nog mocht kuisen.”

Carrière

“Ik kreeg kansen en greep ze. Ik heb nooit straf gehad. Mijn principe was steeds: maak er het beste van, ook al ben je het misschien niet helemaal eens met iets. Na mijn opleiding kreeg ik mijn marsbevel voor de Luitenant Victor Billet-marinekazerne in Sint-Kruis (Brugge). Ik moest me daar aanbieden bij hoofdwapenmeester Jan Dreesen: schipper van de koning en … bootsman van Liénart. Ik had er ook twee instructeurs die nog gevochten hadden in Korea. Al heel snel – ik was amper 19 – werd ik ook lesgever aan marine-infanteristen en kandidaat beroepsonderofficieren. Zo’n twintig jaar heb ik deel uitgemaakt van het Marine Detachement DivMar.”

“Als marine-infanterist ben je ‘inscheepbaar’ maar ik wou toch écht gaan varen, bijvoorbeeld als ‘sheriff’ (chef van de fuseliers aan boord, red.). Ik had bovendien bij de cadetten alle mogelijke zeilbrevetten gehaald. Maar ik mocht alleen meevaren met de Zenobe Gramme: vier jaar lang, elke zomer.”

“Intussen was ik ook getrouwd. Mijn vrouw is in Oostende verpleegkundige op de oncologische afdeling: een job die vaak veel zwaarder is dan de mijne. We kregen twee dochters. Die zijn nu 31 en 29.”

Echt in oorlogsoperatie

“Als marine-infanterie werden wij ook geacht Milanschutters (draadgeleide missiles, red.) te zijn. Dat was theorie. Tot plots de Eerste Golfoorlog uitbrak in 1988. Onze Marine werd met twee hoogzeemijnenvegers (MSO’s) en het bevoorradingsschip Zinnia ter plaatse gezonden. Toen panikeerde ik even. Met drie collega’s moest ik meteen in Lombardsijde, na een stoomcursus, schieten met echte raketten. De ‘Merksem’ voer langs de kust en trok, ver achter zich, een schietschijf waar we elk twee echte missiles op moesten afvuren: telkens raak. Aan boord van de Zinnia waren we met twee Milanschutters terwijl er ook twee Nederlandse Stingerschutters waren. Onze thuisbasis was Fudjeira. Van daaruit patrouilleerden we. Eerlijk gezegd: het was een prachtige tijd.”

“Bij mijn terugkeer ging ik terug naar de DivMar. Intussen had ik mijn brevet van keuronderofficier gehaald en werd ik in 1988 chef operaties in de DivMar met zo’n driehonderd miliciens. We werden voor alles en nog wat ingezet. Zo deden we bewakingsopdrachten bij munitietreinen maar ook de bewaking van Doel.”

“Toen volgde de Tweede Golfoorlog in de zomer van 1990. In tussentijd was ik tijdens een Reforgeroefening in de Noordse fjorden sheriff geweest aan boord van ons fregat ‘Westhinder’. De Marine was reeds lang in de Golf toen er in oktober een telex binnenkwam dat ze ginds dringend een ‘sheriff’ nodig hadden aan boord van de ‘Wandelaar’. Opdracht: morgen vertrekken naar Djibouti waar de ‘Wandelaar’ zou liggen na patrouilles in de straat van Bab el Mandeb. Sheriff aan boord betekende niet alleen de marinefuseliers leiden maar ook de ‘visitaties’ uitvoeren: het doorzoeken van verdachte schepen. Ik ben nog even naar huis geweest om mijn vrouw gedag te zeggen voor drie maanden. En dat terwijl mijn tweede dochtertje net op 27 augustus was geboren. Toen ik in Djibouti aankwam, waande ik me in de film Casablanca: heet en in de straten patrouillerende soldaten van het Vreemdelingenlegioen.”

“Ik ging er direct aan boord. Djibouti was onze thuisbasis na elke patrouilletocht. Ik denk dat we daar wel zo’n zeven of acht keer gelegen hebben. Tot eind januari waren we druk in de weer. Toen zouden we afgelost worden door het fregat ‘Wielingen’. Door de crisis was het even onzeker of we door het Suezkanaal konden. We zijn er toch doorgevaren maar stonden op een zeer kort preadvies (vrijwel combat ready, red.). In Suez hebben de ‘Wielingen’ en de ‘Wandelaar’ elkaar zelfs gekruist.”

Luguber

“Eens op de Middellandse Zee, ergens op weg  van Alexandrië naar Malta, kwam er een noodoproep binnen. Een Pakistaans schip was na een ontploffing gezonken. Op volle turbinekracht zijn we naar de plaats van de ramp opgestoomd. Beelden om nooit te vergeten. We hebben nog een bootje met enkele overlevenden gevonden en voor de rest lijken. Een vijftiental. Als sheriff was het mijn taak met mijn boardingploeg die lichamen op te hijsen. Enkelen waren gruwelijk verminkt. Toen bleken ook nog eens onze bodybags van zeer slechte kwaliteit. Dat alles ronddrijvend in een smurie van stookolie. Al onze kleren waren om weg te smijten. Het was ook onze taak op die lichamen alles te verzamelen voor identificatie. De lijken lagen op het achterdek toen de Amerikanen met een soort landingsboot langszij kwamen en – zeer arrogant – de lichamen vroegen. Onze commandant was altijd de kalmte zelve. Toen heb ik hem woedend gezien. De Amerikanen vonden er niet beter op dan die dode lichamen gewoon over de reling te smijten op hun zes meter lager gelegen landingsboot! Als zakken. “Enig respect!”, brulde hij hen toe. Uit erkentelijkheid voor die slopende opdracht kregen we op de terugweg vier dagen ontheffing van dienst in Cadix in een prachtig, zonnig weertje. Enkele dagen later liepen we Zeebrugge binnen in een sneeuwstorm.”

“Mijn dochtertje kon al rondkruipen toen ik in februari terugkwam. Meteen werd ik terug afgedeeld bij de DivMar. Daar ben ik gebleven tot de legerdienst afgeschaft werd. Net op dat ogenblik was hier in Zeebrugge de wapenmeester ziek geworden. Hoewel normaliter een functie voor een adjudant en ik Eerste Meester (1e sergeant-majoor) was, werd me dit toch toevertrouwd. Het kwam neer op veel administratief werk, inclusief de deelname aan het nationaal défilé.”

Vlootdagen

“Toen vroeg mijn commandant me om ook onze Vlootdagen te organiseren. Die bestonden al jaren en waren oorspronkelijk een intern initiatief van de padres om de familieleden van onder meer de miliciens samen te brengen. Waarom ik? Omdat men zich herinnerde dat ik destijds bij de marinecadetten al eens de ‘fasten’ had georganiseerd. Dat was bijgebleven. Het gevolg was dat ik in volle organisatie voor de nationale feestdag van 1992 ook onze Vlootdagen mocht organiseren. Ik heb toen laten weten dat dit te veel was en vroeg mijn overplaatsing naar de socio-culturele dienst waar ik naast de Vlootdagen ook onder meer voordrachten voor scholen zou organiseren. Dat werd toegestaan.”

“In die functie organiseerde ik zowat alle evenementen van de Marine zoals het Galabal van de Marine en de Defensiedagen van de Marine. Na tien jaar wou ik in 2002 stilaan wel eens wat anders doen. Het antwoord was ‘neen’. Nog eens tien jaar later vroeg ik het opnieuw in 2012. Toen kreeg ik groen licht en werd ik persverantwoordelijke voor de Marine.”

Persdienst

“Als persverantwoordelijke ben je niet de woordvoerder. In de praktijk zijn de opeenvolgende admiraals veelal hun eigen woordvoerder. De job is heel gevarieerd en veelzijdig: de media faciliteren en begeleiden, persberichten opstellen, toelichtingen geven, alles opvolgen wat er verschijnt over de Marine. Soms ook reageren of rondkijken wie best de pers te woord zou staan. Daarnaast veel interne reportages maken. Bijvoorbeeld van oefeningen en operaties en me daarbij richten op een publiek van 16- tot 18-jarigen. Een groot voordeel daarbij is dat de marine redelijk autonoom is. Maar het blijft een job die je graag moet doen. En ik doe dit graag.”

“In de praktijk ben ik zowat anderhalve dag per week op de marinebasis in Zeebrugge. De rest buitenshuis. Hoewel dit een walfunctie is, kan ik toch nog regelmatig meevaren. Soms enkele dagen. Nu ben ik net voor een week naar Benin geweest waar onze Marine met andere Westerse navy’s aan Afrikaanse Marines opleiding geeft in het kader van anti-piraterijoperaties. Want de piraterij neemt daar toe.”

Oostende

Meer nog dan als marineman is Hubert gekend als de organisator van Oostende voor Anker. “Hoe ik daarin terechtkwam, is zoals vaak toeval. In 2000 kreeg ik een brochuurtje in handen waarin werd aangekondigd dat de toenmalige burgemeester van Oostende een soort havenfestival organiseerde rond de IJslandvaarder ‘Amandine’. Ik vond dat we daar als Marine aanwezig moesten zijn.”

“Net op het moment dat ik in uniform in Oostende promotie stond te maken voor de Marine, zag de burgemeester me en vroeg hij me naar een receptie van Oostende voor Anker te komen. Hij kende mijn voorgeschiedenis en wist alles van mijn ervaring met onze Vlootdagen en vroeg of ik wou meewerken. Want het ding had al een naam, Oostende voor Anker, maar nog geen organisatie …”

“We zijn daar met drie aan begonnen. Naast chefs moet je echter ook indianen hebben! Dus ging ik uitkijken naar vrijwilligers. Al heel snel kreeg ik vanuit familie en vrienden zowat twintig helpers. Vandaag hebben we er een zeventigtal. Vrijwel iedereen van het eerste uur is er nog bij.” 

“Oostende had toen zo’n evenement nodig nadat lange tijd alles leek tegen te gaan: de RMT met de typische mailboten stopte ermee, de visserij liep enorm terug. Oostende had écht iets nodig om de band met de zee te benadrukken.”

“Het derde jaar hadden we al een zestigtal deelnemende schepen. Nu bij de twintigste editie van 23 tot 26 mei – en de 19e die ikzelf organiseer – verwachten we 130 schepen en 200.000 bezoekers. De regel is dat het klassieke schepen moeten zijn van minstens veertig jaar oud of getrouwe replica’s: driemasters, stoomslepers, de stoomboot van sinterklaas, de Kampense Kogge uit Nederland. Vanuit de Marine doen onze ‘Zenobe Gramme’ en de Nederlandse evenknie ‘Urania’ mee.” 

Afzwaaien

“Maar zo’n termijn van twintig jaar is genoeg. Vorig jaar heb ik de stad Oostende laten weten dat ik stilaan wil uitbollen. Naast mijn job bij de Marine zijn het met de voorbereiding van Oostende voor Anker maandenlang weken van tachtig uur.” 

“Toenmalige burgemeester Johan Vande Lanotte begreep me maar vroeg me ‘aan boord te blijven want zo’n maritiem evenement organiseren is niet evident’. De afspraak werd daarom gemaakt dat vanaf dit jaar de organisatie berust bij Toerisme Oostende en niet langer bij de vzw. Ik blijf ‘curator’ van Oostende voor Anker, dat betekent dat ik alle maritieme aspecten blijf opvolgen maar niet meer het logistieke gedeelte. Het is een goede afspraak om de verantwoordelijkheid van dit fors uitgegroeide evenement bij Toerisme Oostende te leggen.”  

“Officieel ga ik per 1 april 2020 met pensioen. De facto zal dat 1 december dit jaar zijn. Vervelen zal ik me niet. Ik heb niet alleen mijn gezin met mijn vrouw, twee dochters en een kleindochtertje van zeven jaar, ik zit nog in zestien maritieme verenigingen waarvan in acht zeer actief. Zoals de vzw Mercator, vaste stuurman van het erfgoedschip ‘Nele’, ‘vicecommodore’ of  ondervoorzitter van de Royal North Sea Yacht Club met haar negenhonderd leden. Ik heb ook in 2011 en 2016 de nautische kant georganiseerd van de Tall Ships Race in Antwerpen. Het evenementenbureau Sylvester dat het Belgische gedeelte mocht doen, had me daarover gecontacteerd. Ik werd hun ‘Nautical Expert’. Ik hoop er in 2022 in Antwerpen opnieuw bij te zijn.”

“Ook ben ik op 7 en 8 september in Antwerpen bij 75 jaar Bevrijding. Ik ben de nautische man achter die viering en men vroeg mij contacten aan te spreken. We zullen met een twintigtal schepen defileren, allemaal schepen die in 1940 bij de evacuatie van Duinkerke of in 1944 bij de landing in Normandië hebben meegedaan. Het zullen dus niet allemaal ‘grijze’ schepen zijn want vooral bij de evacuatie werd alles wat kon varen, gemobiliseerd. De grotere schepen zullen via de Schelde naar Antwerpen komen. De kleinere verzamelen in Nieuwpoort waarna we via de kanalen vanuit Nieuwpoort naar Hoboken varen voor de eigenlijke parade op de Schelde. Veel zal afhangen van het getij. Nadien zullen we via de Kattendijksluis afmeren in het Willemdok. Ik kijk er al helemaal naar uit!”

Paul Verbraeken – Link : https://www.flows.be/nl/people-jobs/weekendportret-hubert-rubbens-gaat-oostende-voor-anker